Er bestaat niet zoiets als hét KOV kind
Als we praten over kinderen die opgroeien met een ouder met een verslaving, denken we vaak aan het stille, brave kind. Maar zo eenvoudig is het niet.
Mijn eigen verhaal laat zien dat er niet zoiets bestaat als hét KOV-kind.
Als peuter was ik een vrolijk en onbevangen kind. Ik zong de hele dag, maakte makkelijk contact en was niet bang voor onbekenden. Toen mijn ouders verslaafd raakten, veranderde dat langzaam. Niet van de ene op de andere dag, maar stukje bij beetje.
Ik werd stiller over wat er thuis gebeurde, maar naar buiten toe probeerde ik juist stoer te zijn. Ik liet niemand echt dichtbij komen. Op school deed ik mijn best. Thuis hielp ik waar ik kon. Ondertussen maakte ik me steeds meer zorgen om mijn ouders.
Tot er een periode kwam waarin alles omsloeg.
Ik loog. Ik stal. Ik spijbelde. Ik rookte. Alles leek belangrijker dan naar huis gaan. En als ik thuis was, probeerde ik mijn ouders wanhopig over te halen om te stoppen met drugs.
Op school ging het steeds slechter. Ik was er nauwelijks nog. Als ik er wel was, werd ik regelmatig de klas uitgestuurd. Mijn grote mond zorgde ervoor dat klasgenoten lachten, maar achter die bravoure zat iets heel anders.
Achteraf zie ik dat het geen onverschilligheid was. Het was een schreeuw om aandacht. Een manier om gezien te worden, terwijl ik zelf niet eens wist waar ik precies om vroeg.
Gelukkig duurde die periode niet lang. Maar de signalen waren er wel.
Voor de buitenwereld.
Alleen zag niemand het kind achter het gedrag. Niemand zag de zorgen, de angst en de verantwoordelijkheid die ik als kind met me meedroeg.
Daarom geloof ik dat er niet zoiets bestaat als hét KOV-kind. Het ene kind trekt zich terug. Het andere zoekt juist de grenzen op. En soms is het hetzelfde kind, in verschillende fases van zijn leven.
Misschien moeten we daarom wat minder snel oordelen over gedrag en wat vaker nieuwsgierig zijn naar het verhaal erachter.

